Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB8866

Datum uitspraak2007-11-19
Datum gepubliceerd2007-11-28
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707170/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / verloop uitzettingshandelingen
Uit de brief van de staatssecretaris van 7 november 2007 blijkt niet waarom appellant vier dagen na het verhoor van 21 september 2007 is overgeplaatst en het dossier een dag daarna naar de DT&V is verzonden. Hoewel niet is gebleken dat in dit geval de staatssecretaris op onderdelen van de uitzettingsprocedure niet sneller had kunnen handelen, is wat betreft het verloop van de hiervoor beschreven handelingen in zijn geheel evenwel geen sprake van een inbreuk op de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid, zodat geen grond bestaat de voortduring van de bewaring om die reden onrechtmatig te achten.


Uitspraak

200707170/1. Datum uitspraak: 19 november 2007 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [Appellant], appellant, tegen de uitspraak in zaak nr. 07/36221 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 5 oktober 2007 in het geding tussen: appellant en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 september 2007 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 5 oktober 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 2 november 2007 heeft de Afdeling de staatsecretaris gevraagd om een nadere toelichting. De staatssecretaris heeft hierop bij brief van 7 november 2007 een nader stuk ingediend. Appellant heeft hierop bij brief van 10 november 2007 gereageerd. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Hetgeen in de grieven 1 en 3 is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan. 2.2. In grief 2 klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat niet is gebleken dat de staatssecretaris het onderzoek met onvoldoende voortvarendheid ter hand heeft genomen. Daartoe betoogt hij, kort samengevat en voor zover thans van belang weergegeven, dat tot aan de dag van de zitting van de rechtbank door de staatssecretaris niets was ondernomen ter fine van zijn uitzetting. Dat de staatssecretaris ter zitting van de rechtbank heeft medegedeeld dat op korte termijn een aanvang zal worden gemaakt met het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit kan volgens appellant niet redengevend zijn voor het oordeel van de rechtbank. 2.2.1. In zijn brief van 7 november 2007 heeft de staatssecretaris, voor zover hier van belang, uiteengezet, dat appellant op 21 september 2007 door de vreemdelingenpolitie is gehoord met het oog op de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, hij op 25 september 2007 naar de detentieboot Stockholm te Rotterdam is overgeplaatst en het dossier op 26 september 2007 naar de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) is verzonden. 2.2.2. Gezien deze, door appellant in zijn brief van 10 november 2007 niet betwiste informatie, kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat tot aan de dag van de zitting van de rechtbank van 27 september 2007 nog geen uitzettingshandelingen hadden plaatsgevonden. Uit de brief van de staatssecretaris van 7 november 2007 blijkt niet waarom appellant vier dagen na het verhoor van 21 september 2007 is overgeplaatst en het dossier een dag daarna naar de DT&V is verzonden. Hoewel niet is gebleken dat in dit geval de staatssecretaris op onderdelen van de uitzettingsprocedure niet sneller had kunnen handelen, is wat betreft het verloop van de hiervoor beschreven handelingen in zijn geheel evenwel geen sprake van een inbreuk op de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid, zodat geen grond bestaat de voortduring van de bewaring om die reden onrechtmatig te achten. 2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest Ahlers, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk Voorzitter w.g. Van Soest-Ahlers ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2007 343-558. Verzonden: 19 november 2007 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak